|
Rugpijn is meestal niet ernstig, maar vaak wel erg hinderlijk en vooral
kostbaar
Pain and disability Waddell, G. (1998). Churchill
Livingstone: London.
(Samenvatting P. van Burken (fysiotherapeut/psycholoog), met hulp van
Trudie Geul-Klaren (fysiotherapeute), 19-1-00)
--------------------------------------------------------------------------------
Hst 3. Pijn
en beperkingen in activiteiten
Pijn is een symptoom, niet een klinisch teken,
diagnose of ziekte. Beperkingen in activiteiten verwijzen naar beperkte
functie. Informatie over beide krijgen we veelal via zelfrapportage en is
daarom subjectief. De meeste mensen nemen ten onrechte aan dat er een
directe relatie is tussen pijn en beperkingen in activiteiten. Dat maakt
onze behandeling minder effectief. Ze zijn weliswaar gerelateerd aan
elkaar, maar zijn toch twee geheel verschillende zaken. Er kunnen
discrepanties tussen bestaan.
PIJN
Pijn is het belangrijkste symptoom bij 99% van de patiënten met
rugklachten, maar wordt nog steeds slecht begrepen. Descartes (1664), de
leidende filosoof van de Europese renaissance, heeft een grote impact
gedurende drie eeuwen op de visie van pijn: pijn is eenvoudigweg een
signaal voor weefselbeschadiging. Warmte partikels (bij verbranden) zouden
tegen de huid botsen en daar aan delicate touwen trekken die dan direct een
'pore' opent waar het touw eindigt: zoals het trekken aan een touw van een
bel. De klinische realiteit laat zien dat pijn als signaal voor
weefselbeschadiging van toepassing is bij acute pijn, maar het klopt niet
meer bij bijvoorbeeld chronische pijn, waar de pijn op zich zelf lijkt te
staan. Bij horen, zien etc. corresponderen de afleidingen van zenuwen en
schors duidelijk met de ervaring van horen en zien, bij pijn veel minder.
Wall ziet pijn meer als een basic drive zoals honger en dorst, en ze leidt
tot voorspelbare responsen. Loeser (1980) beschreef vier dimensies van de
pijn: 1. Nociceptie, 2. pijngewaarwording, 3. pijnlijden (de emotionele
respons), 4. pijngedrag (met communicatieve waarde maar veelal onbewust).
De vier dimensies kunnen los van elkaar staan. Pijn en beperkingen in
activiteiten behelzen al deze vier aspecten. We verwarren
'pijn-als-signaal' vaak met het gehele klinische syndroom (de vier
aspecten) van pijn.
Een zeer groot deel van het handelen in de gezondheidszorg is gericht op
het verlichten van pijn. De international Pain Foundation stelt
bijvoorbeeld dat 'niemand met pijn zou hoeven te leven'. Vele filosofen en
theologen zouden daarop reageren dat dit een te nauw medisch perspectief op
het leven is. Waddell stelt dat we nooit alle pijn kunnen laten verdwijnen.
Je alleen richten op de pijn als enige symptoom is ook naïef en beperkt, en
negeert de complexiteit.
De neurofysiologie van pijn
'Pijnsignalen' worden op elke niveau binnen het CZS gefilterd en
gemoduleerd.
De neurofysiologie van pijn en emoties zijn nauw aan elkaar gekoppeld en
beïnvloeden elkaar wederzijds. Pijnreacties zijn niet alleen afhankelijk
van bewuste reacties, maar worden ook al op diverse lagere niveaus geïntegreerd.
Melzack en Wall (1965) postuleren de 'gate control theorie'. Waddell stelt
dat de balans tussen de dikke gemyeliniseerde en de dunne vezels de poort
in de achterhoorn zou openen of sluiten. De drempel tot excitatie hangt af
van de al bestaande activiteit binnen het ruggenmerg. CZS kan een effect
uitoefenen op pijn evenals chemische stoffen zoals endorfine.
De tractus spinothalamicus zou de lokale en sensorische kwaliteiten
medieëren. De hersenstam, reticulaire formatie en het limbische systeem
medieëren de emotionele aspecten. De snelle dorsale kolom en centrale
controle mechanismen in de cortex doen de evaluatie van sensorische
informatie: ze vergelijken nocisensorische input met eerdere ervaringen en
beïnvloeden daarna alle andere niveaus. Er is echter geen enkelvoudig
pijncentrum. PET studies laten zien dat de gehele hersenen bij de pijn
betrokken zijn. Het elkaar beïnvloeden van afferente en efferente
activiteit zien we al op spinale reflexen (spierspasmen en autonome
reacties), maar ook multisynaptisch (gecoördineerde terugtrekreacties). Hogere CZS motoractiviteit vormt de basis voor al het pijngedrag.
Er zijn aanvallen
op de theorie in details, maar er is consensus over het globale idee. Het
betreft multisynaptische ascenderende systemen en niet zozeer pijnbanen.
Het model verklaart dat pijn en lijden kunnen divergeren van perifere
nociceptie. Andere afferentie en CZS activiteiten kunnen pijn moduleren
(denk aan counterirritatie, TENS). Endorfinen kunnen de pijntransmissie
moduleren, ze komen o.a. vrij in de cerebrospinale vloeistof bij fysieke
inspanning. Het model verklaart waarom zenuwdoorsnijdingen geen blijvende
effecten hebben.
Bij chronische pijn kunnen functionele veranderingen binnen het CZS een rol
spelen (Devor, 1996). Weefselbeschadiging en ontstekingsreacties kunnen
bijvoorbeeld de perifere nocisensoren sensitiseren zodat normale stimuli nu
pijn geven. Sensitisatie kan ook op ruggenmerg of hoger opreden. Gelukkig
zijn de meeste mensen in staat deze sensitisaties te reduceren. Chemische
en morfologische veranderingen in de dorsale hoorn kunnen de drempel voor
receptoren verhogen en verlagen. Summatie en habituatie spelen ook in het
ruggenmerg. Er kan abnormale elektrische of chemische activiteit in de
hersenen zelf zijn. De neuronale netwerken kunnen veranderen in de tijd.
Voor al deze veranderingen zijn er experimentele bewijzen. Ze verklaren de
pijn en de toename in uitgebreidheid bij afwezigheid van letsel. Moderne
neurofysiologie laat zien hoe fysiologische en psychologische
gebeurtenissen kunnen interacteren. Ze laat de mechanismen zien, maar niet
meer dan dat.
Definitie van pijn
De definitie van de International Association for the Study of Pain (IASP):
'...een onplezierige sensorische en emotionele ervaring geassocieerd met
actuele of potentiële weefselbeschadiging of beschreven in termen van een
dergelijke weefselbeschadiging'. Implicaties: pijn is een mentale toestand
en geen fysiologische gebeurtenis. Pijn wordt niet
(volledig) gekoppeld aan de stimulus. Als de patiënt pijn rapporteert dan
moet dit gerespecteerd worden als pijn, ook al vinden we geen
weefselbeschadiging. Het onderscheid in psychogeen of organisch is
kunstmatig, fout en verstoort de relatie met de patiënt. Pijn is een
sensatie en een emotie. Het betreft een subjectieve staat die van oude en
de huidige pijnervaringen en de huidige mentaal emotionele toestand
afhangt. Anticipatie en angst voor pijn zijn potente bronnen. Communicatie
over pijn is moeilijk en wordt beïnvloed door onze wijze van denken en voelen
en onze communicatieve stijl. Dit zowel bij de patiënt als de
gezondheidswerker.
Acute en chronische pijn
Vroeger beschouwde men langer dan zes maanden als de drempel naar
chronische pijn, nu drie maanden. In termen van klinische progressie en risico
op chroniciteit zou zes weken een nog betere cut-off zijn. Het gaat
eigenlijk niet om de duur op zich, maar om het persisteren van pijn voorbij
de verwachte hersteltijden en om de 'intractable' aard van de chronische
pijn. Acute en chronische pijn hebben niet meer met elkaar gemeen dan
alleen die vier letters (Loeser). Bij acute pijn zijn er begrijpelijke
verbanden tussen weefselschade (fysieke bevindingen), pijn en beperkingen
in activiteiten. Er is natuurlijk herstel te verwachten en behandeling is relatief
eenvoudig. Dit alles in tegenstelling tot chronische pijn. Sternbach
vergeleek acute pijn met een sympathische reactie van 'fright-fight'. Acute
pijn heeft biologische betekenis omdat het waarschuwt voor weefselschade.
Angst geeft ook deze sympatische veranderingen en Sternbach stelt dan ook
dat angst en acute pijn aan elkaar verwant zijn. Naast pijnbehandeling moet
men de angst verlichten door herhaald uitleggen en geruststellen. Na
verloop van tijd verandert het patroon en kan de patiënt slaap- en
eetstoornissen ontwikkelen evenals verlies van libido en geïrriteerdheid,
men trekt zich geleidelijk terug en heeft gevoelens van hulpeloosheid en
hopeloosheid. Deze symptomen bij chronische pijn lijken op depressie en
Sternbach stelt dat depressie bijna altijd chronische pijn vergezelt. Men
behandelt dat met revalidatie met toenemende activiteit, training en het
geven van redenen voor hoop. Uit de verschillen tussen acuut en chronisch
(wat slechts een klein percentage is) blijkt al dat men beide anders moet
behandelen.
Onderzoeken van pijn
Klinisch onderzoek van pijn is slechts een poging om de altijd
onontkoombare subjectieve rapportage van de patiënt in medische termen te
vangen. Deze rapportage is niet alleen van de ernst van de nociceptieve
bron afhankelijk, maar ook van eerdere ervaringen, angst, verwachtingen. We
moeten altijd de gehele context van het klinische plaatje meewegen.
Anatomische distributie: de eenvoudigste en meest betrouwbare classificatie is die van de
Qubec Task Force. Deze sluit aan bij de diagnostische triage. Selim (1998)
baseert zijn classificatie hier op: 1. alleen rugpijn, 2. rugpijn
uitstralend tot boven de knie. 3. rugpijn uitstralend tot onder de knie. 4. rugpijn met
uitstraling onder de knie en een positieve SLR. Hij zag in zijn onderzoek
dat pijn, beperkingen in activiteiten en consumptie van pijnstillers
toenamen in groep 1 t/m 4. Groep 4 had de grootste kans op MRI en een
operatie.
Tijdspatroon: traditioneel (QRF) is acuut 6 weken, subacuut 6-12
weken, en chronisch meer dan 3 maanden continue pijn. Dit ziet men zelden
zo clean. Klinisch blijkt het pijnverloop vaak grillig met veel
(gedeeltelijke) remissies en recidieven. Het meest karakteristieke van
chronische pijn is niet de duur alswel de impact op de patiënt zijn leven
en de 'intractable nature'. Van Korff (1993) maakt de volgende
classificatie: a) 'occasional-pijn' is minder dan 30 dagen aanwezig de
afgelopen 6 maanden. b) 'Frequente-pijn' is meer dan 50% van de dagen
aanwezig in 6 maanden.
Het meten van pijn: klinische impressies en oordelen zijn
onbetrouwbaar en snel gebiased, en correleren slecht met de patiënt's eigen
pijnrapportage. Een horizontale VAS van 10 centimeter met aan de uiteinden
'geen pijn' en de 'ergst mogelijke pijn' blijkt eenvoudig te scoren en
hanteerbaar voor de meeste patiënten. Dit kan ook verticaal als thermometer
gepresenteerd worden. Het is echter niet geheel duidelijk wat de schaal
meet: de pijn of de distress omdat dze zo verbonden zijn aan elkaar. De
VAS-schaal is goed om een patiënt te volgen, niet om patiënten onderling te
vergelijken (bijvoorbeeld US versus UK tab 3.1). Het
blijft slechts een zelfrapportage en geen directe objectieve meting. De adjectieven die de patiënt
geeft aan pijn, zeggen grofweg iets over de kwaliteit van de pijn. De meest
gebruikte vragenlijst gebaseerd op het taalgebruik van de patient is de
McGill Pain Questionaire (Melzack 1975). Pijn op laten tekenen zegt iets
over de lokatie en enigszins over de ernst, maar ook over de beleving.
BEPERKINGEN IN ACTIVITEITEN
Pijn en beperkingen in activiteiten zijn niet het zelfde en moeten
gescheiden gemeten worden.
Definitie
Sommigen, met name uitkeringsinstellingen, stellen het in termen van kunnen
werken maar dat is te beperkt. Handicap heeft te maken met beperkingen in
het vervullen van normale sociale rollen (sekse, leeftijd sociale en
cultuur afhankelijken). De WHO komt tot de volgende lijn: fysieke
impairment - >beperkingen in activiteiten -> handicap. Waddell stelt
dat dit in mindere mate geldt voor pijn omdat dit geen objectieve
impairment is maar een symptoom. Zowel pijn, beperkingen in activiteiten en
handicap zijn subjectief en moeilijk te meten. Het onderscheid tussen
beperkingen in activiteiten en handicap is vaak arbitrair. In de klinische
praktijk kunnen we niet onderscheiden wat de patiënt niet meer kan doen van
wat hij wel of niet doet. We kunnen alleen maar prestaties meten en niet
capaciteiten: men kan 50 meter lopen etc.
Klinisch onderzoek van beperkingen in activiteiten
Ook beperkingen in activiteiten meten betreft een zelfrapportage met alle
nadelen van dien. We kunnen beperkingen in activiteiten beter definiëren en
meer betrouwbaar en valide meten dan pijn, omdat het meer beschrijvingen
van concrete gebeurtenissen zijn. Onderzoekers zijn het eens dat
beperkingen in activiteiten het beste te meten zijn aan activiteit in het
dagelijksleven zoals tillen, zitten, buigen, socialisering, slapen,
aankleden, seks, lopen, reizen etc.
Vraag 'bent u beperkt in die activiteit', in plaats van 'doet die activiteit
pijn?'
Of 'beperkt uw rug u in uw doen?' Of 'heeft u hulp
nodig bij die activiteit?' Richt je op veel voorkomende beperkingen en niet op zeldzame. Het
klinische interview kan een betrouwbaar inzicht geven in beperkingen in
activiteiten (Waddell e.a. 1984):
- Bukken en tillen (is hulp nodig of vermijdt men zwaar tillen (koffer))
- Zitten, staan, lopen en/of vervoer < 30 minuten.
- Socialiseren mist men (sport is specifiek en geen ADL).
- Slaap en seksleven regelmatig door pijn verstoort.
- Kleden, hulp nodig? Het gaat om 'ja' en 'nee' antwoorden op deze negen
activiteiten.
Het is een zeer simpele maar robuuste schaal die vergelijkbaar is met meer
uitgebreide vragenlijsten (Beurskens, e.a. 1995). De negen
basisactiviteiten zijn daarna te verfijnen om zich een indruk vormen van
hoe dit het werk, thuis en ontspanning beïnvloedt.
Vragenlijsten voor beperkingen in activiteiten
Ze zijn wat meer consistent en betrouwbaar dan het klinische onderzoek
omdat de vragen altijd op dezelfde manier worden gesteld. De lijsten voor
lage rugbeperkingen in activiteiten verschillen onderling maar in geringe
mate (Millard, e.a. 1991). De belangrijkste zijn de Roland questionaire
(RDQ, Roland e.a. 1983) en de Oswestry van Fairbank e.a. (1980). De RDQ is
van de Sickness Impact Profile (SIP) afgeleid en doet het vrijwel net zo
goed als de SIP, zowel bij acute als chronische pijn. Verschillende
onderzoeken bevestigen de waarde van de RDQ. Ze is responsief voor
verandering en dus ook te gebruiken ter evaluatie van de behandeling. De
RDQ is eenvoudiger, sneller en meer acceptabel voor patiënten en meer
sensitief voor vroege en acute beperkingen en het herstel hier in, dan de
Oswestry (Roberts, 1991). Ze heeft echter wat meer moeite met ernstige
vormen van chronische beperkingen in activiteiten. Classificatie van
chronische pijn en beperkingen in activiteiten (te samen) Van Korff e.a.
(1992):
Graad 1: lage beperkingen in activiteiten en lage intensiteit van de lage
rugpijn.
Graad 2: lage beperkingen in activiteiten en hoge intensiteit van de lage
rugpijn.
Graad 3: hoge beperkingen in activiteiten en moderate beperkende lage
rugpijn.
Graad 4: hoge beperkingen in activiteiten en ernstig beperkende lage
rugpijn.
In de algemene bevolking (Canada)
heeft 72% rugsymptomen in 6 maanden: 48.2%( graad
I), 12,4% (II), 7,2% (III), 4,7%(IV).
Functionele capaciteit evaluatie (FCE)
FCE probeert een objectieve maat te krijgen door observatie. Het onderzoekt
gehele lichaamsvermogens zoals tillen, cardiovasculaire fitness en bijvoorbeeld
fitheid voor werk door gestandariseerde fysieke taken door getrainde
observators te laten beoordelen. Men kan ook controles voor coöperatie en maximale
inspanning opzetten. Er zijn normwaarden aanwezig en helpt vooruitgang en
revalidatiebehoeften vast te stellen. Nadelen: het meet geen capaciteit
maar huidige prestaties en zijn niet zo objectief als ze claimen. Harding
(1994) heeft een simpele FCE voor ernstig in activiteit beperkte chronische
pijnpatiënten. Zie voor exacte beschrijving van de verkorte vorm box 3.2.
Ze zou betrouwbaar zijn en responsief voor verandering. 1. vijf minuten op
en neer lopen zonder hulpmiddelen tussen twee pionnen op 20 meter.
(gem=185). 2. één minuut traplopen, treden op en neer tellen, bijvoorbeeld
20 op en 15 neer =35 (gem = 48), 3. één minuut opstaan zonder hulp vanuit
en stoel (gem=11).
Sommige rugstudies gebruiken alleen de 'shutlle walk test' Box3.3. De
pionnen tien meter uitelkaar, start met 30 meter per minuut en elke minuut
er tien meter bij. Doorgaan tot patiënt opgeeft of tijd niet gehaald wordt.
Twee pionnen vijftig centimeter van elkaar zetten om geen scherpe bochten
te maken. Het meet algemene fitness en beperkingen in activiteiten. Ze zou
betrouwbaar zijn en responsief voor verandering bij behandeling van
rugklachten. Ze is echter ook geen objectieve capaciteitsmeter, maar een van prestatie en is dus
subjectief. Capaciteit wordt beperkt door fysiologie, prestatie door
psychologie.
Werkverzuim
Werkverzuim is de belangrijkste maat van lage rugbeperkingen in
activiteiten, omdat het alle aspecten van het leven van de patiënt aantast
en het ook de werkgevers, economie en het sociale
systeem veel kost. Vandaar
dat de politiek er erg in geïnteresseerd is. Het nadeel is dat het alleen
beperkt is tot de werkende populatie en ze slechts zwak gecorreleerd is met
klinische maten van pijn of beperkingen in activiteiten. Het meet maar één
aspect van beperkingen in activiteiten en alleen als deze al sterk is. Het
mist de verfijning bijvoorbeeld in werkbeperkingen in activiteiten: wel
werken maar beperkt zijn in sommige werktaken, promotie, overwerk etc.
Werkverzuim wordt ook beïnvloed door ander factoren dan pijn en beperkingen
in activiteiten: uitkering, krapte op de arbeidsmarkt, werktevredenheid,
regelruimte, afstand tot pensioen etc. Hoe dan ook is men het er over eens
dat werkverzuim de belangrijkste sociale maat van lage rugbeperkingen in
activiteiten en gezondheidszorg is. Dat wil niet zeggen dat pijn niet
belangrijk is, maar het gaat om pijn en (!) beperkingen in activiteiten. Beperkingen
worden meestal gemeten middels de uitslag van een gevalideerde vragenlijst:
de ODI = Oswestry Disability Index.
|