|
De lage
rug bestaat uit 4 of 5 lendewervels die op het heiligbeen, sacrum,
rusten. De bovenkant van het heiligbeen heet S1 (S van sacrum, 1
van de eerste heiligbeenwervel), de wervels daarboven heten L5,
L4, L3, L2 en L1 (L van Lumbaal of Lendenwervel). Een tussenwervelschijf,
discus, dient als scharnier en schokdemper tussen twee wervels.
Het middelpunt van zo'n tussenwervelschijf bevat een zachte kernmassa,
lijkend op gelatine: we noemen dat de nucleus. Deze zachte gelatineuze
kernmassa is veerkrachtig en vangt schokken op. Door de soepelheid
is het mogelijk dat de wervels ten opzichte van elkaar kunnen bewegen
tijdens bijvoorbeeld het bukken. De buigzaamheid is niet alleen
afhankelijk van de zachtheid van die gelatine-kern, maar ook van
de buitenrand van de tussenwervelschijf, een stevige ring, de annulus,
die de kern moet omsluiten en de verbinding vormt tussen twee wervels.

De wervels bewegen aan de voorkant via de tussenwervelschijf en
aan de achterkant via twee gewrichtjes, de facetten. In het wervelkanaal
zitten het ruggemerg en de zenuwwortels. De wervels van de lage
rug hebben vooral een mechanische funktie, namelijk ondersteunen
en beweeglijk houden van de romp. De funktionele eenheid heet het
wervelsegment, namelijk twee aangrenzende wervellichamen, een discus
en twee dorsale facetgewrichten. De discus funktioneert als een
met vocht gevuld kussen, waardoor het wervelsegment in alle richtingen
beweeglijk is, waarbij de belasting zich gelijkmatig over de eindplaten
verspreid en de dorsale facetgewrichten slechts begrenzend en sturend
werken. De toestand van de discus is het meest verantwoordelijk
voor het funktioneren van een wervelsegment. De facetten spelen
slechts een secundaire rol. De wervels worden ondersteund door de
rugspieren. 
In de onderrug zijn de omgevende rugspieren zeer belangrijk. Zwakke
rugspieren maken de rug zwak. Sterke rugspieren en een goede algemene
conditie maken de rug minder kwetsbaar. Door roken wordt de stofwisseling
van de discus verstoord en is de kans op uitdroging hoger. De belangrijkste
oorzaak van rugpijn zit in het normale verouderingsproces van de wervelkolom.
Al vanaf het 20e jaar ontstaat er een langzame uitdroging van de tussenwervelschijf
(discus), waardoor de veerkracht en schokdemping minder wordt en de
beweging tussen de wervels verstoord raakt. 
In de buitenring, annulus, ontstaan scheurtjes, die deze ring verzwakken.
Hierdoor kan wat gelatine uit de nucleus naar buiten puilen en zelfs
in het wervelkanaal schieten. Als die uitpuiling fors is, kan er druk
ontstaan op de zenuwwortels daarachter. Het woord hernia komt eigenlijk
van uitpuiling van ingewanden (hirae = ingewanden), zoals bij een
liesbreuk, maar het woord hernia wordt in dagelijkse gesprekken vooral
gebruikt voor uitpuiling van een tussenwervelschijf, waardoor die
pijnlijke verdringing van de zenuwwortels of het ruggemerg kan ontstaan.
De combinatie van drukverhoging in de tussenwervelschijf en scheurtjes
in de buitenring geven hetzelfde effect als het uitpuilen van een
zwakkere plek bij een opgepompte fietsband. De zenuw loopt niet alleen
vlak achter de discus, maar ook door een smal bot-kanaal, direct tegen
de wervels. Bij het ouder worden ontstaan er verdikte botranden aan
de wervels, die het zenuwwortelkanaal extra kunnen versmallen.

Dat uitpuilen, minder goed scharnieren, en het versmallen zijn dus
normale verouderings-verschijnselen. Dat geeft vaak hinderlijke pijn
in de rug en benen, soms tot in de voeten, een enkele keer zelfs met
een verlamming. Dat komt niet alleen door de irritatie of beschadiging
van die zenuwwortels, maar ook van ander gevoelige delen zoals de
achterkant van de discus zelf en soms ook zenuwtjes rondom de gewrichtjes.
Door uitdroging ontstaat inzakking van de tussenwervelschijf met uitpuiling,
waardoor het hele kanaal rondom de zenuwwortel te klein kan worden.

Daardoor ontstaat dan irritatie van die zenuwwortel zonder dat er
sprake is van een echte hernia. Hernia-onderzoek levert dan ook niets
op, maar dat wil nog niet zeggen dat er dan niets mis is. De zenuwwortels
vertakken naar het bekken en de benen, zodat pijnen vaak kunnen uitstralen
naar de billen, liezen, knieën, scheenbenen en tenen, soms zelfs naar
de geslachtsdelen en de buik.
Op oudere leeftijd wordt de kans op rugpijn steeds minder, omdat de
natuur zorgt voor een spontane stijfheid in de rug: discusbeschadigingen
hebben dan vrijwel geen effect meer. Vooral mensen tussen 35-55 jaar
met vervroegd uitgedroogde en beschadigde tussenwervelschijven (waarbij
die natuurlijke spontane verstijving nog lang niet aanwezig is) kunnen
slecht tegen 'piekbelastingen', zoals langer achtereen stilstaan,
langer bukken, abrupte draaibewegingen, overmatig tillen en kleine
of grote ongevallen Het komt ook voor dat in de rug zelf nauwelijks
pijn aanwezig is, maar alleen in de benen of voeten. Dan wordt vaak
teveel aandacht gegeven aan de plaatselijke pijn, terwijl de ellende
eigenlijk uit de rug komt. Mechanische rugpijnen komen voor 50% uit
de wervel-verdieping L4/L5, voor 40% van L5/S1, 8% van L3/L4, en 2%
van de mechanische rugpijnen komen van elders. Het is moeilijk om
te ontdekken op welke verdieping het probleem zit.
|